Beeldende Begrippen

Of je nou een tekening, foto, schilderij, beeldhouwwerk ziet, je kunt er steeds bepaalde eigenschappen in ontdekken en aan een nader onderzoekje onderwerpen. Dit zijn de zogenaamde beeldbegrippen. Beeldbegrippen worden ook wel beeldaspecten genoemd.
Beeldaspecten moet je zien als ingrediënten van een kunstwerk: aspecten betekenen ‘delen van’. Delen van het beeld dus. Die delen zijn apart te benoemen. De termen waarmee je dat doet lees je hier en leer je tijdens de lessen.

Je kunt de beeldaspecten in 2 groepen verdelen : aspecten die gaan over de VOORSTELLING (WAT er is afgebeeld) en aspecten die gaan over de vormgeving (HOE het is afgebeeld).

De belangrijkste beeldaspecten zijn: kleur, vorm, ruimte, licht, compositie, en structuur.
Beeldaspecten zijn als bouwstenen, kun je ze herkennen dan kom je meer te weten over het kunstwerk.
KLEUR
Hoe zie je kleur?
Alle vormen hebben een kleur. Pas als het licht erop valt zie je de kleuren. De lichtgolven die ergens opvallen, worden weerkaatst. Die lichtgolven hebben een kleur; namelijk de kleuren van de regenboog. Door middel van een prisma kun je een lichtbundel splitsen: je ziet dan 7 gekleurde bundeltjes van één kleur: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet; dit noemen we het kleurenspectrum.  Wanneer je al deze kleuren mengt krijg je wit.Bij rode voorwerpen worden allen de rode lichtgolven weerkaatst en zo gaat dat ook bij blauw, geel en alle andere kleuren. Wanneer er geen lichtgolf wordt weerkaatst, zie je zwart. Wanneer alle lichtgolven worden weerkaatst, zie je wit.

1. De kleurencirkel Hierin zie je een logische volgorde van de belangrijkste kleuren. De kleuren die elkaar raken hebben met elkaar te maken. In de onderstaande begrippen krijg je hier uitleg over.

2. Primaire kleuren Rood, geel en blauw worden primaire kleuren genoemd. Dat wil zeggen dat je die kleuren niet kunt maken door kleuren te mengen. Maar als je die kleuren mengt dan krijg je wel heel veel andere kleuren.

3. Secundaire kleuren Deze kleuren ontstaan wanneer je 2 primaire kleuren met elkaar mengt. Je krijgt dan: groen, oranje en paars.

Rood + blauw = paars

Rood + geel = oranje

Blauw + geel = groen

4. Tertiaire kleuren De kleurencirkel bevat naast de bovengenoemde zes kleuren ook nog de zes tertiaire kleuren, geeloranje(maisgeel), roodoranje, roodviolet (bordeauxrood), blauwviolet, blauwgroen en geelgroen. Het heeft dus in totaal twaalf kleuren. Door een primaire kleur te mengen met een secundaire kleur die ernaast ligt, krijgen we de tertiaire kleuren.

Bijvoorbeeld:      –   geel en oranje = maisgeel

–   paars en blauw

–   blauw en groen

–   rood en paars

–   groen en geel

5. Complementaire kleuren Dit zijn tweetallen van kleuren die elkaar goed aanvullen en in combinatie een mooi effect geven. Ook versterken ze elkaars werking; bijv: een slager legt in de virtrine groene blaadjes sla naast het vlees, waardoor het vlees roder lijkt en daardoor verser. Een tweetal bestaat uit een primaire en een secundaire kleur en deze liggen altijd tegenover elkaar in de kleurencirckel. Deze tweetallen zijn

Rood  – groen                  geel – paars          blauw – oranje

6. Warme kleuren, koude kleuren De kleuren die in het rode deel van de cirkel liggen, rood, oranje, geel en lichtgroen noemen we de warme kleuren. De overige kleuren noemen we de koude kleuren, dit zijn groen, blauw, paars. Als we nu bijvoorbeeld bij een warme kleur geel wat van een koude kleur paars mengen, dan wordt het een koele gele kleur. Zo kan je ook een koude kleur een warmer effect geven door er wat van een warme kleur verf door te mengen. Het begrip warm en koud is dus maar betrekkelijk.

7. Monochorme kleuren Deze bestaat uit slechts één kleurtoon en daarvan een aantal nuances (variaties op die kleur, alles in blauw bijvoorbeeld.) We noemen dit ook wel ton-sur-ton of toon in toon.

8. Polychrome kleuren Hierbij combineren we meerdere kleuren. Het is een bonte mengeling van allerlei kleuren.

9. Pastelkleuren Kleuren die worden gemengd met wit worden lichter, dit noemen we pasteltinten. Deze stralen een zacht en verfijnd karakter uit.

10. Niet-kleuren Wit, zwart, grijs. Het zijn geen echte kleuren. Dit zijn tonen om kleuren lichter of donkerder te maken.

11. Kleur contrast Kleurcontrasten ontstaan doordat twee of meer kleuren naast elkaar aanwezig zijn. Er ontstaat dan een verschil en dat noemen wij een contrast. Hoe zuiverder de kleuren hoe sterker het contrast is.

12. Simultaan contrast Kleuren kunnen elkaar beïnvloeden. Wanneer je een rode stip op een groene ondergrond ziet, lijkt het rood anders dan wanneer je die op een oranje ondergrond ziet.

* Karakter van kleuren Bij de eerste beeldbegrippen heb je gezien dat er verschillende soorten kleuren zijn. Bij kleursoorten zijn de kleuren in herkenbare groepen onderverdeeld; bijvoorbeeld pastelkleuren of primaire kleuren.

Kleuren hebben allemaal een bepaald karakter
Dus bij:

Welke kleursoort hoort een kleur
Welke helderheid heeft een kleur ; is de kleur licht of donker,
Welke zuiverheid/verzadigdheid heeft een kleur; is de kleur fel of vermengd

Vormen, en dus kleuren, kun je pas zien wanneer er licht op valt.
Het licht dat ergens (een voorwerp) op valt, wordt weerkaatst en bereikt het oog.
Licht is opgebouwd uit verschillende lichtgolven en elke golf heeft zijn eigen kleur.
Namelijk de kleuren van de regenboog. Dit zijn: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet. Dit noemen we het kleurenspectrum.

HET GEBRUIK VAN KLEUR Kleuren worden heel vaak gebruikt om iets aan te geven; iets te benadrukken. We kennen verschillende groepen kleuren met een betekenis.

13. Functioneel kleurgebruik Hierbij hebben de kleuren een bepaalde functie; ze staan ergens voor.
– In het verkeer; rood staat voor gevaar, blauw voor gebod (wat je moet doen), oranje voor waarschuwing, groen voor veiligheid

– Boven de nooduitgang hangt een groen bordje. ‘Groen’ betekent hier veilig.
– Maar ook de elektrische bedrading hebben een functionele kleur gekregen.

14. Camouflage kleuren
Deze kleuren worden ook wel schutkleuren genoemd.
Ze zijn bedoeld voor het onzichtbaar maken van personen of voorwerpen in een omgeving waarin deze persoon zich bevindt. In het leger zie je deze camouflagekleuren. Ook in de dierenwereld zie je deze keuren. Dit om niet ten prooi te vallen aan roofdieren.

15. symbolische kleurgebruik Sommige kleuren hebben een betekenis; dit verschilt per cultuur.

Voorbeelden:

a.    Rood: signaalkleur (gevaar), liefde en hartstocht

b.    Geel: licht, leven (Pasen), lente (kuikentjes)

c.    Groen: veiligheid (onderste verkeerslicht), vertrouwd, natuur, gif,             griezelig(draken) en buitenaards.

d.    Blauw: koel, kalmerend, bovenaards(hemel), gezag(uniform), vreedzaam.

e.    Paars: rouw, boete

f.     Knalroze: vrolijk, opwindend

g.    Bruin: armoede, saai, nederigheid

h.    Zwart: duisternis, diepste rouw, zonde

i.     Wit: reinheid, vrede, vreugde, waarheid, kerkelijke kleur, soms uitvaart

j.     Oranje: warmte, rijkdom, erotiek, koninkrijk gezind (Nederland)

16. Expressief kleurgebruik Expressie is de uitdrukking van gevoel.
Dus als je expressief kleurgebruik toepast, druk je met kleuren je gevoelens uit.
Kunstenaars die dit doen geven vaak hele andere kleuren aan vormen dan ze in werkelijkheid zijn.

VORM
Vormen komen overal voor in een kunstwerk. Ze ontstaan door het gebruik van verschillende kleurvlakken, lijnen, bewerkingen of materialen.

Vormsoort
Een vorm kan zeer lijken op een echt object (realistisch) of mooier zijn dan in de werkelijkheid (geïdealiseerd), vervormd (gedeformeerd) of enigszins vereenvoudigd zijn (gestileerd). Als een vorm niet snel of helemaal niet herkenbaar is noemen we het abstract. Hoe dit precies zit, lees je hieronder.

17. Geometrische vormen ; 2D en 3D Basisvormen die we vanuit de wiskunde kennen.
2D: breedte- en hoogte maten
3D: breedte-, hoogte- en diepte maten.

18. Organische vormen/natuurlijke vormen In de natuur vind je organische/natuurlijke vormen.
Ook vind je organische vormen in de 3D kunst.

19. Constructieve vormen Dit zijn vormen die door de mens gemaakt zijn en bestaan uit meerdere onderdelen.
Meestal zijn dit open vormen. Denk aan constructies.
Voorbeelden: huizen, fietsen, auto’s enz.

Restvormen Dit zijn vormen die overblijven tussen de (positieve)vormen.

20. Open en gesloten vormen Een open vorm is helemaal of gedeeltelijk hol.
Je kunt er doorheen kijken en lijkt daarom niet zo zwaar.
Een gesloten vorm is een dichte vorm, zonder openingen en lijkt daarom zwaar en massief.

21. Figuratieve vormen en abstracte (non)figuratieve vormen

a.    Als je een vorm kunt herkennen, bijvoorbeeld een huis, een mens, een dier:        dan is een vorm figuratief.
b.    Wanneer een vorm minder herkenbaar wordt, noem je dat een abstracte (non-   figuratieve) vorm.

22. Abstraheren Dit is het eenvoudiger maken van de vorm.

23. Stileren (vereenvoudigen) Wanneer een vorm nog herkenbaar is, maar sterk vereenvoudigd, noemen we dat een gestileerde vorm.
Bij gestileerde vormen zijn de meeste details verdwenen en zie je vaak alleen nog de grondvormen.

24. Patroon Een patroon bestaat uit een herhaling van eenvoudige vormen. Een ander woord is dessin.
Vaak is er sprake van een ritme, oftewel een gelijkmatige herhaling van de vormen.
Voorbeelden zijn: inpakpapier, behang, stof voor kleding of tassen, bloem op de rand van een bord.

25. Decoratieve vorm(en) Een ander woord is : versierend.
Bijvoorbeeld: een vorm kan ontworpen zijn om te versieren: een sieraad. Dan heeft het een decoratieve functie.

26. Stof uitdrukking/textuur Elk voorwerp heeft een oppervlak dat je kunt zien en voelen. Denk maar eens aan een knuffelbeestje of een muur van baksteen.
Je kunt je voorstellen hoe dat er uit ziet en hoe het voelt. Dit noemen we textuur.
Voorbeelden van een textuur zijn: harig, stekelig, bobbelig, ribbelig.

Vormcontrasten Wanneer vormen naast elkaar geplaatst worden, worden verschillen duidelijk, zogenaamde vormcontrasten.

1.    Rond – hoekig
2.    Geometrisch – organisch
3.    Symmetrisch – asymmetrisch
4.    Plat – ruimtelijk
5.    Grillig – strak
6.    Duidelijk – vaag

RUIMTE

In een tekening kun je ruimte uitbeelden. Door trucs doe jen et alsof er diepte is.
Dit noem je ruimte suggestie of perspectief.

27. Perspectief
Er zijn een aantal manieren om die ruimte/perspectief in dat platte vlak (je tekening) te krijgen;
a. Vervaging: alles op de voorgrond is helder/fel van kleur  en op de achtergrond zijn de kleuren vaag/flets.

b.    Verkleining: alles op de voorgrond is grot getekend en op de achtergrond klein.

c.    Overlapping: je tekent vormen over elkaar heen: zo zie je dat ze achter elkaar staan.

d.    Afsnijding: als je aan de rand van een tekening een voorwerp niet helemaal tekent,          lijkt het net of het voorwerp buiten de tekening verder gaat. Je denkt dan de rest er             bij.

e.    Plasticiteit: door licht en schaduw te tekenen, lijkt het alsof een voorwerp ruimte           inneemt.

f.     Lijnperspectief: alle vormen lopen naar een verdwijnpunt.

28. Standpunt De manier waarop je ruimte tekent, hangt af van het standpunt.
Het standpunt heeft te maken met de ooghoogte.

De horizon is de grens tussen land/water en lucht.
Je kunt de horizon heel ver weg en hoog zien, maar ook heel laag en dichterbij.
De horizon zit altijd op ooghoogte.

a.    Als je op de grond staat is de horizon op normale (oog-)hoogte. Dit noemen we            mensperspectief.

b.    Als je heel laag bent (op de hurken) of voor een hoog object staat, zie je de         omgeving van onderaf, zoals een kikker. Dit noemen we kikvorsperspectief.

c.    Als je heel hoog bent, bijvoorbeeld  op een hoge toren of in een luchtballon, zie je         de horizon heel hoog. Dat noemen we vogelvlucht perspectief.

LICHT

29. lichtbron Licht heb je nodig om kleuren en vormen zichtbaar te maken. Ook zorgt licht ervoor dat er schaduwen te zien zijn en daardoor zie je welke ruimte vormen innemen. Door de schaduw krijg je plasticiteit=rondingen in de vorm.
Er zijn twee soorten lichtbronnen: natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen.

–   Kunstmatige lichtbronnen zijn: licht ontstaan uit een vlam en lamplicht.
–   Natuurlijke lichtbronnen zijn: zon, sterren, bliksemlicht.

30. Glimlicht Als er licht op een heel glad voorwerp valt zie je dat het licht daar heel wit is, de kleur van het voorwerp is daar niet meer zichtbaar.

31. Strijklicht Strijklicht zie je als een lichtbron laag over een oppervlak strijkt.
Je ziet dan alle oneffenheden in heet oppervlak.

LICHTRICHTINGEN
32. Tegenlicht
Als je de lichtbron voor je hebt is er sprake van tegenlicht.
Je kijkt dan tegen het licht in. De vormen tussen de kijken en de lichtbron worden silhouetten. De schaduwen vallen in de richting van de kijker.

33. Meelicht
Meelicht zie je als de lichtbron achter je hebt. Je kijkt in de richting van het licht mee. De schaduwen lopen af van de kijker.

34. Zijlicht
Wanneer de lichtbron van opzij tegen een voorwerp/onderwerp schijnt.
Je ziet dan schaduw op en naast de vorm/onderwerp.

35. Lichtcontrast
Het verschil tussen lichte en donkere vlakken die naast elkaar liggen.

SCHADUW
Schaduw is een gevolg van lichtval.

36. Eigenschaduw Eigenschaduw is de schaduw die op het voorwerp zelf valt. Dus op delen waar geen licht valt.

37. Slagschaduw
Dit is de schaduw van een voorwerp die je op de ondergrond of een ander voorwerp ziet.

38. Kernschaduw en halfschaduw Kernschaduw is het donkerste gedeelte van de schaduw en de halfschaduw is het lichtere schaduw gedeelte.
In de kernschaduw valt helemaal geen licht. In de halfschaduw komt weinig licht van de lichtbron.

39. Gebroken slagschaduw
Schaduw kan van richting veranderen of vervormen, door de ondergrond onregelmatig is of omdat de slagschaduw op een ander voorwerp valt.

40. Silhouet Silhouet is een vorm waarvan je alleen de omtrek ziet; de vorm zelf zie je als een donker vlak; als een platte vorm. Een silhouet ontstaat o.a. bij tegenlicht.

41. Contourlijn  Dit is een lijn die een begrenzing van een vorm aangeeft= buitencontour. Dit kan ook een vorm in een andere vorm zijn: bijvoorbeeld de omtreklijn van de mond in het gezicht = binnencontour.

COMPOSITIE

Een ander woord voor compositie is ordenen of samenstellen.
Een componist ordent muzieknoten en zo ontstaat er een muziekstuk.
Een kunstenaar ordent lijnen, vormen, kleuren en richtingen en zo kun je een kunstwerk krijgen. Met de kijkrichting en aandachtsplek wordt bepaald waar de toeschouwer het eerst naar kijkt.

42. Richting in een compositie Met lijnen en vormen kun je een bepaalde richting maken in een compositie. Als je een rechthoekig vlak hebt kun je volgende richtingen maken:
a.                   Horizontaal
b.                  Verticaal
c.                   Diagonaal (altijd vanuit de hoeken)
d.                  Gebogen
e.                  Centraal
f.                   Driehoek
g.                   Over-all
h.                  Symmetrisch
i.                   A-symmetrisch

43. Een compositie kan op vele manieren beïnvloed worden: Deze kan bijvoorbeeld:
a. Chaotisch
b. Zorgvuldig geordend
c. Dynamisch (beweeglijk)
d. Statisch (onbeweeglijk)
e. Ritme (regelmaat)

44.
De compositie wordt ook vaak bepaald door een soort contrast. Daardoor vallen bepaalde gedeeltes meer op.
Bijvoorbeeld:
a. Contrast in groot; je ziet dan grote en kleine  vormen in een compositie (schilderij).
b. Contrast in de richtingen; je ziet dan verschillende richtingen in een compositie     (schilderij).
c. Vorm contrast; de vormen in een compositie (schilderij) zijn dan heel verschillend.
d. Licht-donker contrast: lichte en donkere kleuren/tinten in een compositie (schilderij)
e. Kleur contrast: een warm-koud tegenstelling of een complementair keurcontrast:             kleuren die in de kleurencirkel tegen over elkaar liggen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s